Stichting ANGOB

 

ALCOHOLBELEID VRAAGT BESTUURDERS MET RUGGEGRAAT

Ruim twintig jaar geleden startte de overheid met een alcoholmatigingsbeleid. Er waren teveel en te grote maatschappelijke problemen ontstaan door het sinds 1955 sterk gestegen alcoholgebruik. De nota "Alcohol en Samenleving", die door de Tweede Kamer werd aanvaard als richtlijn voor het beleid, bevatte tal van suggesties voor een samenhangend en daardoor effectief beleid.

De alcoholbranche zette de Tweede Kamer onder zware druk, om maatregelen tegen te houden die zouden leiden tot omzetverlies en verlies van werkgelegenheid. De Tweede Kamer liet zijn oren hangen naar de branche, en verwierp effectieve maatregelen.

Het Nederlandse alcoholbeleid werd zodoende een lappendeken van zachte maatregelen. Het werd een beleid van afschuiven naar voorlichting en nader onderzoek, en van zelfregulering door het bedrijfsleven. Een beleid zonder tanden. De alcoholbranche werd ontzien. De vervuiler betaalde niet, de consument draaide voor de kosten op via de zorgverzekering, de schadeverzekering en de belasting.

Omzetverlies is echter onvermijdelijk. Naar schatting nemen de 25 procent zwaarste drinkers, driekwart van de Nederlandse alcoholconsumptie voor hun rekening. Wanneer die zwaarste drinkers hun alcoholgebruik zou halveren, dan zou het gemiddelde gebruik met 37,5 procent afnemen ! En dan nog zitten die zware drinkers boven de limiet die de WHO aangeeft.

Wil de overheid een doeltreffend matigingsbeleid voeren, dan moet zij maatregelen kunnen nemen waar de branche het niet mee eens is. De overheid heeft volgens de grondwet onder andere tot taak de volksgezondheid te bevorderen. Daarbij moet zij het lef hebben om het algemeen belang te laten prevaleren boven het belang van een specifieke bedrijfstak. De Tweede Kamer behoort daaraan mee te werken. Overheid en volksvertegenwoordiging moeten impopulaire maatregelen durven nemen.

Volgens de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) zijn de drie effectiefste maatregelen om alcoholproblemen te verminderen : verhoging van de leeftijdsgrens, beperking van het aantal verkooppunten en accijnsverhoging. In de "Hoofdlijnenbrief Alcoholbeleid" van het ministerie van VWS eind vorig jaar, worden die drie maatregelen wel genoemd, maar niet tot een stevig en samenhangend beleid geformeerd. De accijnsverhoging blijft beperkt tot een paar eurocent per pilsje. Daar ligt geen jongere van wakker. Beperking van het aantal verkooppunten voor breezers tot uitsluitend bij de slijter, is "in studie".

Ook tal van eerder gesuggereerde maatregelen zijn spoorloos verdwenen : geen alcoholtest op omgekomen verkeersslachtoffers, geen verbod op happy hours, geen verhoging van de leeftijdsgrens naar 18 jaar, geen waarschuwing op de verpakking.

Wat wel is gebleven, is voorlichting aan ouders van opgroeiende kinderen. Op zichzelf nuttig, maar het schuift de verantwoordelijkheid wel weer naar anderen. De vervuiler mag doorgaan met vervuilen, de ouders moeten het "vuil" maar bij de voordeur tegenhouden.

Verder worden kopers van alcohol beneden de 16 jaar strafbaar gesteld, en wordt alcoholreclame via de TV uitsluitend na 21.00 uur toegestaan. Al die stappende pubers die om 24.00 uur de deur uit gaan, liggen blijkbaar om 21.00 uur te slapen.

dr.ir. D. Korf