Stichting ANGOB

 

Geheelonthouding in verkeerd daglicht gezet

PREVENTIENOTA "KIEZEN VOOR GEZOND LEVEN "

De Nederlandse gezondheid raakt internationaal gezien achterop. Door het actieprogramma zoals vorige maand gepresenteerd in de Preventienota, moet daarin verbetering gebracht worden. Welvaartsziekten zijn de voornaamste oorzaak van het achterop raken. De nota noemt vijf speerpunten waarop het preventiebeleid toegespitst zal worden : tabak, alcohol, overgewicht, diabetes en depressie.

Kort voor het uitkomen van de Preventienota liet de Gezondheidsraad (GR) zijn licht schijnen over de toestand van de Nederlandse volksgezondheid. De GR constateert dat aantasting van de gezondheid in hoge mate veroorzaakt wordt door ongezond gedrag. De GR propageert daarom leefstijlcampagnes gecombineerd met structurele maatregelen : "De combinatie van voorlichting via de massamedia en maatregelen in de leefomgeving is dan ook cruciaal".

De preventienota noemt als hoofdthema "bevorderen van een gezonde leefstijl" en wil mensen stimuleren tot het doen van gezonde keuzes. De mensen moeten het dus zelf doen, de overheid neemt geen structurele maatregelen maar stimuleert slechts. Daarmee gaat de nota grotendeels voorbij aan de door de GR geadviseerde maatregelen in de leefomgeving. De nota verwacht teveel van voorlichting, en schuift veel van de aanpak van de speerpunten op het bordje van de lokale overheid.

Met betrekking tot tabak stelt VWS als doel het percentage rokers onder de bevolking terug te brengen van de 28% van 2005 naar 20% in 2010. De regering wil blijkbaar een doel dat haalbaar is. Want waarom niet streven naar een halvering van het aantal rokers ? De toelichting bij de nota bespreekt overigens wel de sterfte door het roken, maar niet de overlast. Tegengaan van overlast is echter ook gezondheidsbeleid. Overlast heeft een negatief effect op het welbevinden van mensen, en dus op de geestelijke volksgezondheid.

Luidt de kop van het hoofdstuk over tabak simpelweg "Roken", bij alcohol is de terminologie voorzichtiger en luidt "Schadelijk alcoholgebruik". Aan de algemene beleidsdoelstelling worden mooie woorden gewijd : "Het kabinet verwacht het meeste effect van een evenwichtig en samenhangend pakket van beleidsinstrumenten. Dat betekent niet alleen voorlichting, preventie en zelfregulering (!), maar ook meer dwingende maatregelen als wetgeving en accijnsheffing...". Die mooie woorden worden echter niet waargemaakt, concrete voorstellen voor wetgeving en accijnsheffing ontbreken.

De doelstelling van het alcoholbeleid noemt, anders dan die van het roken, geen percentage daling van het aantal drinkers als zodanig. De minister formuleert heel voorzichtig : het gebruik van alcohol bij jongeren onder de 16 terugbrengen naar het niveau van 1992, en het percentage volwassen probleemdrinkers terugbrengen van 10,3 procent in 2005 naar 7,5 procent in 2010. Een weinig ambitieuze doelstelling, want in beide gevallen blijft de problematiek van onaanvaardbaar grote omvang.

Dwingende maatregelen ontbreken aan het landelijke alcoholbeleid, het is voorlichting en advisering wat de klok slaat. Voor de landelijke aanpak noemt de toelichting slechts het project "Alcohol en opvoeding" en het produceren van een handleiding voor de gemeenten over lokaal alcoholbeleid. Concreet onderdeel van de lokale aanpak is het vergunningenbeleid. Dat kan inderdaad dwingende maatregelen opleveren, mits de gemeenteraad zich kan ontworstelen aan beïnvloeding door de lokale horeca. Verder noemt de nota vroegsignalering als lokaal actiepunt.

Geheelonthouding gediskwalificeerd!
De terminologie in het alcoholdeel van de toelichting bij de nota, lijkt sterk op het taalgebruik van de alcoholbranche, met name de Stiva. Bijvoorbeeld de zin "Het kabinet is niet van plan matig en verstandig alcoholgebruik van volwassenen tegen te gaan". De term "verstandig alcoholgebruik" komt twee zinnen verder nog eens terug. Drinkers vinden al gauw van zichzelf dat zij verstandig drinken. Verstandig is echter een slecht afgegrensd begrip. Wij vinden het daarom onverstandig van het ministerie om het woord verstandig in deze context te gebruiken.

Maar het ministerie maakt het nog erger : "Onderzoek toont aan dat mensen van middelbare leeftijd die weinig drinken en dat bovendien spreiden over de week, minder risico lopen op hart- en vaatziekten dan geheelonthouders". Dat is klakkeloos napraten van achterhaalde conclusies een bovendien slordig (misleidend) geformuleerd.

In een kritische beschouwing over dit onderwerp (Nijmegen 2003) komt P.Anderson tot de conclusie dat het gunstig effect van alcohol op hart en bloedvaten sterk wordt overdreven. Uitsluitend bij mannen, en uitsluitend boven de 45 jaar, lijkt een consumptie van een half glas per dag een gunstig effect te hebben. Dus helemaal niet algemeen bij "mensen van middelbare leeftijd", en ook niet iets vaags als "weinig drinken". De vaak gehoorde aanbeveling van twee of drie glazen per dag, noemt Anderson het plaatsen van een tijdbom in je lichaam. Een mens bestaat uit meer dan alleen hart en bloedvaten.

Verder dient onderscheid te worden gemaakt tussen niet-drinkers en geheelonthouders. Onder de niet-drinkers bevinden zich veel personen die om medische redenen geen alcohol (meer) kunnen, mogen of willen drinken. Die mensen hebben vaak een verhoogde kans op ziekten en voortijdig overlijden. De oververtegenwoordiging van deze mensen in de groep van de niet-drinkers, maakt dat deze groep er slechter vanaf komt dan de zeer matige drinkers.

Mensen die om niet-medische redenen geen alcohol drinken, vertonen juist een verlaagd risico. Diverse onderzoeken in de Verenigde Staten (onder Mormonen, onder Adventisten) en in Noorwegen (onder leden van geheelonthoudersorganisaties) hebben dat laten zien. Mensen die op relatief jonge leeftijd bewust kiezen voor een alcoholvrije leefstijl, blijven langer gezond en leven langer.

De campagnes "drank maakt meer kapot dan je lief is" en "ben jij sterker dan drank" hebben in 20 jaar tijd geen noemenswaardige vermindering van de problemen of daling van de consumptie weten te bewerkstelligen. Een eventueel positief effect van de campagnes is ongedaan gemaakt door het negatieve effect van de alcoholreclame. Het is dus zonder meer duidelijk dat hardere maatregelen nodig zijn. Bij de aanpak van de tabak hebben die gewerkt.

Het evenwichtig en samenhangend pakket van beleidsinstrumenten waarover het ministerie spreekt, zou daarom ons inziens tenminste moeten omvatten : accijnsverhoging onder gelijktrekken van de accijns per eenheid pure alcohol voor de drie categorieën (bier, wijn, sterke drank), beperken van de verkrijgbaarheid van alcohol naar plaats en tijd (bijv. breezers de supermarkt uit, daar is 68% van de geënquêteerden vóór), strengere voorwaarden voor de alcoholreclame, waarschuwingen op de verpakking en stricte handhaving van de leeftijdsgrenzen.

Dingeman Korf