Stichting ANGOB

 

DRINKEN TIJDENS ZWANGERSCHAP ACHTERAF TE BEWIJZEN

Uit de allereerste ontlasting van baby's valt af te leiden of de moeder tijdens de zwangerschap alcohol heeft gedronken. Onderzoekers van het Erasmus Medisch Centrum hebben daarvoor een test ontwikkeld.

Om vast te stellen of er sprake is van ernstig risico voor het kind door alcoholgebruik van de moeder, is tot nu toe vooral gebruik gemaakt van de bloedproef. Die methode is verre van waterdicht. Alcohol wordt door de zwangere in haar lever afgebroken. Per uur daalt haar bloedalcoholgehalte met ongeveer 0,2 promille. En is haar bloedalcoholgehalte eenmaal beneden de 0,1 promille gedaald, dan valt er weinig meer aan te tonen. De laatste, mogelijk blijvende sporen onttrekken zich aan ontdekking.

De test op de eerste ontlasting van de pasgeborene, meconiumtest geheten, geeft veel meer uitsluitsel. De door de zwangere gedronken alcohol komt uit haar bloed via de placenta in de foetus. Die heeft een nog onvoldoende volgroeide lever, zodat de alcohol daar langzamer wordt afgebroken en bijgevolg langer in het bloed blijft circuleren. Tijdens die verlengde circulatietijd kunnen alcohol en daaruit gevormde aceetaldehyde allerlei nevenreacties ondergaan. Daarbij worden producten gevormd die in het meconium opgespoord kunnen worden.

Alcohol drinken tijdens de zwangerschap is schadelijk voor het ongeboren kind. Daarom raden consultatiebureaus, gynaecologen en vroedvrouwen zwangeren aan om geen alcohol te drinken tijdens de zwangerschap. Schattingen van het percentage zwangeren dat desondanks toch alcohol gebruikt, variëren voor ons land tussen 30 en 50 procent.

Het ernstigste gevolg van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap is een miskraam. Dat komt gelukkig maar weinig voor. Maar afwijkingen bij de levend geboren baby's, het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) komen regelmatig voor, naar schatting bij één op de duizend à vijftienhonderd pasgeborenen. Het gaat dan om groeiachterstand, misvormingen in het gelaat, hersenbeschadiging en pas later blijkende zaken als verlaagd IQ, ADHD en autisme.

Een lichtere vorm van FAS, het FASD komt voor bij ongeveer één op de 450 pasgeborenen in ons land, ofwel 0,22 procent. Zij hebben vaak een wat verlaagd geboortegewicht, ontwikkelen zich geestelijk wat langzamer en vertonen vaak wat lichtere vormen van ADHD of autisme.

Wanneer met de meconiumtest alcoholgebruik door de zwangere is vastgesteld, zal de baby als mogelijk risicogeval nauwlettender onderzocht worden op FAS en FASD. Daarnaast zal de verdere ontwikkeling beter gevolgd moeten worden, omdat leer- en opvoedmoeilijkheden zich soms pas tijdens de schooltijd openbaren.
Vroegtijdige ontdekking en behandeling van de afwijkingen kan het leven van deze kinderen draaglijker en leuker maken, en de kans op problemen verminderen.

Dingeman Korf