Stichting ANGOB

 

Jongeren in verkeer kwetsbaarder door gebrek aan ervaring, niet door alcohol

GRENS VAN 0,2 PROMILLE MOET VOOR IEDEREEN GELDEN

Het kabinet heeft besloten dat beginnende automobilisten vanaf 1 januari 2002 niet meer dan 0,2 promille alcohol in hun bloed mogen hebben. Die verlaagde grens geldt gedurende de eerste vijf jaar dat men een rijbewijs heeft. Minister Netelenbos wilde de grens voor iedere verkeersdeelnemer op 0,2 promille stellen, maar verzet van coalitiepartner VVD maakte dat onhaalbaar.

De nieuwe maatregel maakt deel uit van een beleid ter vermindering van het grote aantal ongelukken onder beginnende bestuurders. Al eerder werd in dit kader invoering van een tijdelijk beginnersrijbewijs voor de eerste vijf jaar voorgesteld. Nu wordt voor deze categorie bestuurders de strafbaarheidsgrens voor alcohol in het verkeer van 0,5 naar 0,2 promille verlaagd. Die verlaagde grens geldt alleen de eerste vijf jaar. Na afloop daarvan mag men met maximaal 0,5 promille alcohol aan het verkeer deelnemen.

Het hanteren van twee verschillende promillagegrenzen, is ons inziens een volstrekt onlogische zaak. Immers, vanaf 0,2 promille is een achteruitgang van de rijvaardigheid aantoonbaar. Die achteruitgang geldt voor iedereen. Het is niet zo dat beginnende automobilisten, resp. jonge automobilisten, gevoeliger voor alcohol zijn dan oudere of ervarener automobilisten.

Het verschil zit hem in het niveau van waaraf de achteruitgang van de rijvaardigheid begint. Ervaren automobilisten hebben een hoger niveau aan rijervaring dan beginnende automobilisten. Iemand met veel rijervaring, rijdt met 0,3 promille alcohol slechter dan zonder alcohol. Maar door zijn grote ervaring kan hij zich ook met 0,3 promille nog redelijk veilig door het verkeer bewegen. Iemand zonder rijervaring, zal met 0,3 promille al een gevaar op de weg kunnen vormen. Dat mag echter nooit een argument zijn voor een lagere strafbaarheidsgrens. Dat zou de deur openen voor variatie van de strafbaarheidsgrens naar gelang allerlei individuele factoren.

Niet het absolute niveau van iemands rijvaardigheid bepaalt of hij strafbaar is. Strafbaarheid vloeit niet voort uit iemands toestand. Strafbaarheid ontstaat wanneer iemand iets doet of nalaat waardoor hij anderen in gevaar brengt of schade berokkent. Strafbaarheid is dus een gevolg van een laakbare handeling. Wie voordat hij gaat rijden, meer alcohol drinkt dan overeenkomt met 0,2 promille, pleegt een laakbare handeling. Hij brengt eigen en andermans veiligheid in gevaar. Daarom behoort de strafbaarheidsgrens voor alcohol in het verkeer, voor iedereen bij 0,2 promille te liggen.

Met name minister Korthals van Justitie verwachtte grote problemen bij de controle op, en handhaving van een algemene grens van 0,2 promille voor iedereen. Voor politie en justitie zou dit een grote verzwaring van de werklast opleveren. Zijn redenering houdt ons inziens echter geen steek. De politie behoeft alleen maar de apparatuur voor de ademanalyse op een andere grenswaarde in te (laten) stellen.

Voor een enorme toename van de aantallen overtreders, wat een probleem bij justitie zou opleveren, behoeft op wat langere termijn ook niet gevreesd te worden. Toen in 1974 in ons land de strafbaarheidsgrens van 0,8 naar 0,5 promille werd verlaagd, was dat niet het geval. En toen in Zweden in 1990 de grens werd verlaagd van 0,5 naar 0,2 promille, gebeurde dat evenmin. We daalde in dat land na die verlaging het aantal verkeersongevallen met 7½ procent.

Automobilisten kunnen namelijk verdeeld worden in risico-nemers en risico-mijders. Laatstgenoemden zullen zich, al dan niet na een gewenningsperiode, houden aan de wettelijke grens, ongeacht de ligging van de grens. Momenteel rijden zij misschien met 0,3 of 0,4 promille, en blijven beneden de limiet. Straks rijden zij met 0,0 of 0,1 promille, en blijven weer beneden de (gewijzigde) limiet.

Het zijn de risico-nemers die het probleem vormen. Zij denken dat voor hen niet geldt, wat verder voor iedereen geldt. Zij overschrijden de grens. Zij moeten daarom hetzij uit het verkeer geweerd, dan wel tot een andere mentaliteit gebracht worden. 

Jaarlijks vallen er zo’n 300 doden in het verkeer ten gevolge van alcoholgebruik. Dat zijn er 300 teveel. De dood door alcohol in het verkeer, is een voorkoombare dood. Dat legt de samenleving de morele plicht op om er maatregelen tegen te nemen. Daarom moet de strafbaarheidsgrens van 0,2 promille voor iedereen gelden. De dood door alcohol in het verkeer moet voorkomen worden.

Dingeman Korf