Stichting ANGOB

 

GRENS VOOR ALCOHOL IN HET VERKEER MOET NAAR 0,2‰

De British Medical Journal van 10 april jl. bevat een pleidooi van de Canadese medisch onderzoeker E.B.R. Desapriya voor een wettelijk maximum van 0,2 promille alcohol bij deelname aan het verkeer. Een forse verlaging, want momenteel ligt de limiet in Canada, Groot-Brittannië en de V.S. nog bij 0,8 promille.

Het pleidooi van Desapriya is gebaseerd op twee argumenten. In de eerste plaats is er zo langzamerhand overvloedig bewijs geleverd voor het argument dat vanaf een bloedalcoholgehalte van 0,2 promille de hersenen minder goed gaan functioneren, de rijvaardigheid afneemt en het risico op een verkeersongeval toeneemt.

In de tweede plaats heeft het huidige hoge promillage van 0,8 als wettelijk maximum, een ongewenst psychologisch effect. Mensen zien de strafbaarheidsgrens aan voor een veiligheidsgrens. Zij denken dat zij veilig rijden wanneer zij beneden die grens blijven. In werkelijkheid rijden zij onveilig, maar wel zonder wettelijk strafbaar te zijn.
Een bloedalcoholgehalte van 0,8 wordt, afhankelijk van factoren als lichaamsgewicht en snelheid van drinken, pas bereikt na vier tot zes glazen drank. Na zoveel glazen begint "alcoholisch optimisme" (een lichte vorm van dronkemansmoed) de kop op te steken, en wordt er gemakkelijk nog een glas extra gedronken ("ik kan heel goed tegen alcohol"). Desapriya wil dat sjoemelen voorkómen, en de strafbaarheidsgrens gelijk maken aan de veiligheidsgrens, dus 0,2 promille. Voor het publiek is de zaak dan duidelijk: alcoholgebruik en deelname aan het verkeer gaan niet samen.

In de meeste landen van West-Europa ligt de strafbaarheidsgrens voor alcohol in het verkeer inmiddels bij 0,5 promille. Dit betekent dat in het wegverkeer een beperkte verhoging van de ongevalskans geaccepteerd wordt. In het luchtverkeer wordt een verhoging van de ongevalskans niet geaccepteerd. Voor piloten ligt de grens dan ook bij 0,2 promille. Verder gaat in Nederland de strafbaarheidsgrens voor beginnende automobilisten ( = iedereen die minder dan vijf jaar in het bezit is van een rijbewijs) verlaagd worden naar 0,2 promille.

Ruim een jaar geleden publiceerden Ridderinkhof en medewerkers (universiteiten Amsterdam en Leiden) de uitkomsten van een onderzoek naar het functioneren van de hersenen na alcoholgebruik. Al na één drankje was met behulp van meetsensoren een verandering in de elektrische activiteit van de hersenen te constateren. Bij een computertest reageerden de proefpersonen na één drankje trager, terwijl het percentage foute reacties toenam van 5% naar 20%. Eén drankje betekent globaal een bloedalcoholgehalte van 0,16 à 0,22 promille. Wij constateerden destijds in dit blad dat genoemd onderzoek ons pleidooi voor één, algemene strafbaarheidsgrens bij 0,2 promille ondersteunde.

Augustus vorig jaar kwamen Britse onderzoekers met de constatering dat bij gelijk bloedalcoholgehalte, de verkeersvaardigheid door alcohol bij de lunch sterker aangetast werd dan door alcohol op andere tijden van de dag. Een bloedalcoholgehalte van 0,4 promille bleek direct na de lunch al tot een flinke toename van gevaarlijk rijgedrag te leiden. Ook dit onderzoek geeft aan dat de grens van 0,5 promille te hoog is.

Volgens de algemene principes van het Nederlandse strafrecht is iemand strafbaar wanneer hij iets doet of nalaat waardoor hij anderen in gevaar brengt of schade berokkent. Strafbaarheid is dus een gevolg van een laakbare handeling. Wanneer iemand zich in het verkeer stort met meer dan 0,2 promille alcohol in zijn aderen, pleegt hij een laakbare handeling. Hij brengt eigen en andermans veiligheid in gevaar. De grondprincipes van het Nederlandse strafrecht verplichten eigenlijk de wetgever dus al om de strafbaarheidsgrens voor alcohol in het verkeer bij 0,2 promille te leggen.

Dingeman Korf