Het gedrag van verslaafden wekt verbijstering
en wanhoop (2)
DE ONVERVULBARE VOORWAARDEN VAN DE
VERSLAAFDE
Een verslaafde leeft afgezonderd van de cultuur van de samenleving.
Hij spreekt een andere taal, en vertoont andere reacties. Omdat hij
de werkelijke samenleving niet meer kent, gaat hij onmogelijke
voorwaarden stellen voor afkicken.
Een verslaafde stelt andere prioriteiten dan een niet-verslaafde. In
zijn leven heeft het verkrijgen en gebruiken van het middel waaraan
hij verslaafd is, de hoogste prioriteit. Voor de buitenwereld is dat
moeilijk te begrijpen. Je offert toch niet alles wat je hebt op voor
een kortstondige roes ? Ja, zegt de verslaafde, dat doe ik wel.
Niet met zoveel woorden, maar wel door zijn gedrag.
Doordat hij in een andere subcultuur leeft, redeneert en reageert
een verslaafde anders dan een niet-verslaafde. Daardoor verstaan die
twee elkaar niet echt meer. In feite spreken zij een verschillende
taal. Daardoor kunnen zij geen goed contact meer leggen. Voor veel
alledaagse zaken hebben verslaafden echter wel contact met anderen
nodig. En dan ontstaan vaak de misverstanden en ruzies.
Voor de verslaafde zijn alle andere zaken ondergeschikt aan het
verkrijgen en gebruiken van het verslavende middel. Daardoor vallen
er bijna geen afspraken met de verslaafde te maken. Gevraagd naar
zijn gebruik, ziet hij er geen been in daarover te liegen. Hij zegt
al drie dagen geen druppel gedronken te hebben, maar de hulpverlener
ruikt duidelijk alcohol. Hij belooft plechtig, en zeer
geloofwaardig, geen heroïne meer te zullen gebruiken maar
uitsluitend nog methadon; echter diezelfde avond zet hij weer een
shot heroïne.
Omdat de verslaafde leeft in een roescultuur, heeft hij het contact
met de alledaagse werkelijkheid verloren. Hij ziet niet meer in hoe
de samenleving echt functioneert. Hij denkt eisen te kunnen stellen,
en als daaraan voldaan wordt zal hij zijn leven beteren. Hij stelt
voorwaarden die steevast beginnen met “als er maar . . . .”
Hij beweert te willen afkicken, maar stelt voorwaarden die vrijwel
onvervulbaar zijn. Een kritische buitenstaander komt dan al gauw tot
de conclusie “die man wil helemaal niet afkicken”. Hulpverleners
zijn er echter om hulp te verlenen, en laten een cliënt niet zo gauw
in de steek. Dus ontstaat er een slepende discussie over voorwaarden
waaraan voldaan moet zijn.
De verslaafde wil afkicken, als er maar gezorgd wordt voor redelijke
huisvesting. Komt die huisvesting er, dan is het weer “als ik maar
heel langzaam mag afbouwen”. Van dat langzaam afbouwen komt meestal
niets terecht, en dan heet het weer “als ik maar behandeld wordt
voor mijn angsten en depressies”, of “als ik maar individueel
behandeld wordt, als ik maar niet naar groepstherapie moet”. Het
aantal voorwaarden is legio, en daardoor schuift de daadwerkelijke
behandeling steeds verder de toekomst in. De verslaafde krijgt
alsmaar uitstel, maar heeft voor zichzelf de geruststellende
gedachte dat hij onder behandeling is.
Het stellen van voorwaarden door of namens verslaafden, heeft mede
aanleiding gegeven tot het instellen van laagdrempelige
methadonverstrekking, laagdrempelig nachtlogies, gebruikersruimten,
enzovoorts. Alle denkbare mogelijkheden zijn er zo langzamerhand.
Zelfs heroïneverstrekking aan ongeneeslijk verslaafden. Toch is het
verslavingsprobleem in onze samenleving niet kleiner geworden. Men
komt daardoor haast onontkoombaar tot de conclusie dat veel
verslaafden eigenlijk helemaal niet willen afkicken. Zij willen het
verslavende middel niet kwijt, zij willen de roes niet kwijt. Zij
willen alle ellende er omheen kwijt, de criminaliteit, hun
afhankelijkheid, hun ziekten en problemen. Dat de roes een wezenlijk
onderdeel van de problematiek is, zien zij niet in. In hun
“als-er-maar” terminologie gesproken “als er maar een schoon en niet
verslavend roesmiddel was”. Helaas zijn roesmiddelen per definitie
verslavend.
Preventie van verslaving moet dus niet alleen waarschuwen tegen het
risico om verslaafd te raken, maar ook weerstand tegen de
verleidingen van de roes opbouwen.
Dingeman Korf