Stichting ANGOB

 

Zwaar drinken kan leiden tot een afkeer van alcohol bij mannelijke nakomelingen
ALCOHOLISME TOCH NIET ERFELIJK?

Alcoholverslaving komt regelmatig voor in opeenvolgende generaties binnen dezelfde familie. Sinds de ontdekking van de genen, is men dan ook op zoek geweest naar het gen dat leidt tot alcoholverslaving. Dat is niet gevonden. En nu hebben Amerikaanse onderzoekers zelfs gevonden dat zwaar drinken kan leiden tot een afkeer van alcohol bij mannelijk nageslacht. Vooralsnog overigens alleen bij muizen.

Alcoholisme, door de onderzoekers "alcohol use disorder" (AUD) genoemd, komt veel voor in de Westerse wereld. Alleen al in de Verenigde Staten bedragen de maatschappelijke kosten 223 miljard dollar per jaar ! Geen wonder dat er met name in de VS al jaren intensief gezocht wordt naar een genetische basis van de aandoening. Die zoektocht heeft een beperkt aantal afwijkende genen opgeleverd, die elk voor slechts een gering deel bijdragen aan het risico voor alcoholisme. Het lijkt zo langzamerhand dan ook waarschijnlijk dat één allesbepalend gen voor alcoholisme niet bestaat.

Recent wetenschappelijk onderzoek op verschillende gebieden van de biologie, heeft laten zien dat niet alleen aangeboren eigenschappen overgeërfd kunnen worden, maar dat onder bepaalde omstandigheden sommige verworven eigenschappen eveneens overgeërfd kunnen worden. Dat is de zogenaamde "epigenetische erfelijkheid". Die is met betrekking tot morfine bij knaagdieren enige tijd geleden aangetoond.

Twee hoogleraren van de universiteit van Pittsburgh, G.Homanics en A.Finegersh, besloten naar aanleiding daarvan, een onderzoek te starten naar de mogelijkheid van epigenetische overerving van vatbaarheid voor alcoholverslaving. Zoals te doen gebruikelijk, startten zij hun onderzoek met muizen als proefdieren.
Onverwacht resultaat

Een groep mannelijke muizen werd in tweeën gesplitst. De ene helft werd gedurende een gewenningsperiode blootgesteld aan alcoholdamp in de lucht die zij inademden. De hoeveelheid alcohol werd zo ingesteld dat het alcoholgehalte in het bloed ongeveer 0,5 promille bedroeg. De andere helft ademde schone lucht in. Vervolgens werden de muizen gepaard met vrouwtjesmuizen die alcoholvrij waren opgegroeid.

De nakomelingen van de twee groepen mannetjesmuizen bleken voor wat betreft de zonen te verschillen. Bij de dochters waren geen verschillen te constateren. Een niet verwachte verrassing.

Bij de mannelijke nakomelingen onderling, was de verrassing nog groter. De onderzoekers hadden verwacht dat de nakomelingen van de "alcoholische vaders" een sterke voorkeur voor het consumeren van alcohol zouden hebben. Het tegendeel bleek echter het geval te zijn. Bij een keuzeproef, waarbij de muizen moesten kiezen tussen water en water met vijf procent alcohol, kozen de zonen van alcoholische vaders vaker voor water dan de zonen van alcoholvrije vaders. Wanneer er alleen maar water met 5 procent alcohol beschikbaar was, dronken de zonen van alcoholische vaders minder dan de zonen van alcoholvrije vaders.

Daarnaast bleken de zonen van alcoholische vaders gevoeliger voor bepaalde negatieve effecten van alcoholgebruik zoals de dempende werking op het zenuwstelsel en de verstoring van de spiercoördinatie. De auteurs vermoeden dat de verminderde trek in alcohol een beschermingsmechanisme vormt tegen de gevolgen van de vergrote gevoeligheid voor negatieve effecten. Biochemisch gezien was hiernaast ook sprake van vermindering van de methylering van het DNA.

Oud ervaringsfeit ?

Wanneer de effecten die bij muizen zijn geconstateerd, ook optreden bij mensen dan zou dit volgens een commentaar in de Daily Mail betekenen dat forse drinkers een vergrote kans hebben op zonen die geheelonthouder zijn.

Inderdaad treffen wij onder geheelonthouders van oudsher relatief vaak personen aan waarvan de vader alcoholproblemen had. Op het eerste gezicht gaat de redenering dus op. Echter, die geheelonthouders zijn lang niet uitsluitend mannen. Volgens het onderzoek van Homanics en Finegersh zouden het echter wel uitsluitend mannen moeten zijn.

Bovendien hadden en hebben velen van hen een beredeneerde verklaring voor hun geheelonthouderschap. Bijvoorbeeld zoals het hoofdbestuurslid uit de veertiger tot zestiger jaren Jan P. Visser het verwoordde "mijn moeder hield mij altijd voor: jongen, wordt nooit zoals je vader". Dus geen genetisch bepaald geheelonthouderschap, maar een emotioneel gefundeerd.

Het percentage geheelonthouders met een alcoholische vader lijkt overigens af te nemen. Met de toename van wetenschappelijk inzicht (biologisch, medisch, toxicologisch) winnen verstandelijk gefundeerde argumenten terrein.

Dingeman Korf